|
Geachte mijnheer Tilanus, Naar
aanleiding van uw mail van 8 december 2003 willen wij graag nog reageren op uw
punten van kritiek. De reactie is weliswaar laat, maar we hebben de tijd willen
nemen om aandacht te besteden aan de inhoudelijkheid. Wij bespeuren in de
toonzetting een irritatie die in onze mening zijn oorsprong vindt in onbekendheid
met een materie die door uw discipline waarschijnlijk in algemene zin als bedreigend
wordt ervaren. KISS is geen modeverschijnsel; KISS is geen pseudo-syndroom en
KISS is zeker niet controversieel! U verwijt ons dat KISS op dit moment alleen
maar onzekerheid en vragen oproept. Wij zullen proberen uw angst en vragen weg
te nemen en uw nieuwsgierigheid te wekken. We hopen dat u in ieder geval de tijd
wilt nemen om ons antwoord te lezen. Geschiedenis Het
begrip KISS - (een acroniem voor Kopfgelenk Induzierte Symmetrie Störungen)
werd in 1987 geïntroduceerd door Dr. Med. Heiner Biedermann, Duits chirurg
en manueelgeneeskundige, die momenteel in Dortmund en Antwerpen zijn werkzaamheden
verricht. Met als lijfspreuk: "Use it, or loose it." ontwikkelde hij
de theorie, diagnostiek en therapie samen met zijn voorganger en collega Dr. G.
Gutmann. Deze publiceerde al in 1953 voor het eerst over dit onderwerp! Onderzoek
(bron: syllabus PAOG Nijmegen) laat zien dat bij 10-15% van alle pasgeborenen
één of meer uitingsvormen van het KISS- syndroom zouden voorkomen.
Bij de rond 200.000 bevallingen in Nederland zijn dat minimaal 20.000 baby's op
jaarbasis. Uw collega Dr. Pieter Zwart te Zwolle spreekt over 40.000 - 50.000
huilbaby's per jaar waarvoor hij geen verklaring kan geven. Het KISS concept
is een nieuwe denk- en behandelmethode voor functionele problematiek bij kinderen.
Na 20 jaren en ruim 30.000 behandelde kinderen (Biedermann 20.000 en zijn assistenten
10.000) werd ruimschoots aangetoond dat bij tot nu moeilijk behandelbare symptomen
zoals bijvoorbeeld darmkolieken, huilaanvallen, slaapstoornissen en torticollis
neonatorum, er snel, eenvoudig en vooral risicoloos behandeld kon worden. Biedermann
c.s. behandelen nu ruim 2300 kinderen per jaar en in Nederland Mohr ca. 2700 kinderen.
Op de overige behandelaantallen in Nederland en daarbuiten hebben wij geen zicht.
Inmiddels zijn er wel al zo'n 300 KISS-geschoolde manueeltherapeuten. Sinds
1997 is collega Henk Mohr uit Ede bezig om de KISS expertise in Nederland te introduceren,
nadat hij in 1992 kennis maakte met Dr. Biedermann. In eerste instantie stuitte
hij op veel tegenstand. Niet alleen vanuit de hoek van de (kinder)geneeskunde
maar ook uit die van de kinderfysiotherapie. Meerdere keren zijn vertegenwoordigers
van beide disciplines uitgenodigd om inhoudelijk van gedachten te wisselen over
de KISS problematiek. Helaas hebben zij de uitnodiging nooit aangenomen zonder
hiervoor redenen aan te voeren. Tot een vakinhoudelijke discussie is het dus nooit
gekomen en daarom hebben ze ook nooit een positieve bijdrage kunnen leveren aan
de ontwikkeling van de behandelmethodologie van het KISS syndroom in Nederland.
Als er al sprake was van een discussie, dan was die altijd indirect en doorgaans
politiek van aard. Wellicht lag hier een competentie- c.q. domeinstrijd aan ten
grondslag. Uw reactie is daar een sprekend voorbeeld van. Er is slechts sprake
van veroordeling en niet van geïnteresseerdheid. Dat is een reactievorm die
niet des wetenschappers is. Feitelijk zijn de Nederlandse critici bezig het
wiel opnieuw uit te vinden. Het waren en zijn juist Duitse kinderartsen die de
artsen manuele geneeskunde kritisch observeerden. Een aantal van deze kritische
kinderartsen zijn daarop zelf manuele geneeskunde gaan studeren om de grote problematiek
m.b.t. KISS / KIDD (Kopfgelenk Induzierte Dyspraxie und Dysgnosie) effectiever
aan te kunnen pakken. Een sprekend voorbeeld hiervan is de Hamburgse kinderarts
Editha Halfmann . Stoornis
 | Het
KISS syndroom is gebaseerd op een biomechanisch probleem. Dit is niet alleen zeer
eenvoudig röntgenologisch aan te tonen, maar ook door het palpatoir functieonderzoek
van de kleine nekgewrichtjes en bekken-heupregio. Bij een juist gemaakte X-AP
van de hoog cervicale regio is dan meestal duidelijk een atlasshift waarneembaar
(Afbeelding 1A.). Het maken en beoordelen van een dergelijke opname stelt echter
wel eisen aan de radiologisch laborant en röntgenoloog. Het gaat hierbij
m.n. om de afstand van de beide massae lateralis t.o.v. de dens van C2. Er
hoeft niet altijd sprake te zijn van een atlasshift. In algemene zin is het de
asymmetrie in de regio C0-C3 a.g.v. het asymmetrische functioneren van de kleine
(gelaedeerde) facetgewrichtjes (Afbeelding 1B.). Voor voorbeelden verwijzen
wij naar www.manmed.de. Hier vindt u verschillende illustratieve röntgenfoto´s.
| Afbeelding 1. Behandeling dient zo snel mogelijk plaats
te vinden: 1. Iedere bron van nocisensoriek moet worden geëlimineerd.
Het hoog cervicale gebied is van primair belang voor de zich ontwikkelende baby,
in zowel de motorische, de sensibele maar ook in vegetatieve zin. Bij een afwijkende
stand en vooral functies van de atlas zal iedere prikkel worden ervaren als nocisensoriek
wat zich zal uiten in afwijkend gedrag, afwijkende motoriek en afwijkende vegetatieve
functies. Anders geformuleerd; de voor de zuigeling zo belangrijke nekreflexen
worden via een chaotische sensoriek gegenereerd en de efferentie daarvan in hersenstam
en extremiteiten zal dan veelal ontaarden in de eerder genoemde motorische en
vegetatieve disregulatie. Toenemende beheersing van tonische reflexen blijft daardoor
dikwijls uit. Hoe coördinatief belangrijk het hoogcervicale gebied is,
moge blijken uit de hoeveelheid spierspoeltjes per cm2 in de hoogcervicale musculatuur.
Deze is cervicaal 3-4 keer zo groot als in de fijne handmusculatuur. Ter indicatie:
per hand treffen we 135 spierspoeltjes aan; ieder oog heeft er 127 en de hoogcervicale
nekmusculatuur 1098! 2. Is het zo dat bij de volgroeide mens de vorm de functie
bepaalt; bij een zuigeling bepaalt de functie de vorm. Na 3 maanden krijgen de
morfologische veranderingen reeds een structureel karakter (schedelasymmetrie)
en ten tijde van de verticalisering van het kind zijn deze veranderingen nagenoeg
onomkeerbaar. De geldende halfwaardetijden voor collageen bindweefsel en diens
osteogene variant spreken verder voor zich! Omkering van het proces is (waar al
mogelijk) derhalve een tijdrovende zaak. In dit kader willen wij verwijzen
naar het boek van B.A.M. van Wingerden . Een manueeltherapeutische interventie
sorteert in dit geval dikwijls op veel kortere termijn effect dan een behandeling
door de KFT, osteopaat of een arts. Dat is geen waardeoordeel maar een consequentie
van de soort therapie. Het is bovendien röntgenologisch en klinisch verifieerbaar
en daarom is er sprake van causale therapie. In dit perspectief is een onderzoek
van J.L.Hoving et al relevant dat werd gepubliceerd in het British Medical Journal.
Het onderzoek toont aan dat manuele therapie bijna 2 maal zoveel succes heeft
dan een interventie van huisarts en bovendien kosteneffectiever is dan fysiotherapie
en huisartsenzorg. De behandeling is technisch niet eenvoudig en daarom
moet die worden uitgevoerd door een manueeltherapeut die hiervoor specifiek geschoold
is. Deze beschikt over inzicht in de 3D structuren en functies van het cranio-cervicale
gebied en beheerst de hiervoor vereiste therapeutische praktische vaardigheden.
De behandeling is mild en zoals Biedermann het stelt: "met zo weinig mogelijk
therapeutische energie bereikt men dikwijls een optimaal therapeutisch effect".
Merkbaar resultaat ziet men veelal al na een 2-3 behandelsessies. Eventuele
nabehandeling na de manueeltherapeutische behandeling van de problematiek dient
dan door een kinderfysiotherapeut te geschieden als daarvoor door een medicus
de indicatie is gesteld. In principe heeft het kind immers functiestoornissen
in de zeer vroege ontwikkeling opgelopen en die wegen soms zeer zwaar. Een
samenwerkingsvorm tussen alle disciplines is van essentieel belang voor een goede
afstemming van de integrale therapie. KISS problematiek die niet behandeld
wordt, kan bij het opgroeiende kind op termijn zorgen voor dysgnosie en dyspraxie.
In dat geval spreken we van KIDD. Hierbij valt te denken aan concentratiestoornissen
en ongericht gedrag zowel motorisch als sociaal. Ongeveer 10% van alle behandelde
kinderen valt in deze categorie. KISS, wetenschap, scholing en maatschappelijke
ontwikkelingen De uitvinder van de kunstnier, de Nederlander Prof. Dr. Willem
Johan Kolff (1911) mocht al ervaren dat vooruitgang in de geneeskunde niet altijd
op waarde werd geschat. Wij citeren; "Er is in de medische wereld altijd
verzet tegen verandering" (Arts & Auto - mei 2003). Gelukkig hield hij
vol. Uw uitgangspunt is dat als iets (nog) niet (voldoende) wetenschappelijk
onderbouwd is het dus geen waarde heeft. Dat is wel heel erg kort door de bocht.
Als een punt van kritiek is dat ons werk wetenschappelijk niet is onderbouwd,
dan gaan wij ervan uit dat altijd als u medicijnen voorschrijft, u de werking
daarvan kunt verklaren evenals de bijwerkingen. U bent dan ook op de hoogte van
alle processen bij alle ziektebeelden en kunt ook die verklaren. Als u NSAID's
voorschrijft, dan doet u dat omdat het pijnstillend en ontstekingsremmend werkt.
Dat komt omdat NSAID's de sensibilisering van de type IV vezels door Prostaglandine
E2 remmen. Hoe verantwoordt u het gebruik van dat medicijn, terwijl bekend is
dat Prostaglandine E2 ingrijpt in nog 1540 andere bij het ontstekings- en reparatieproces
betrokken biochemische reacties? Een andere vraag. Als u een patiënt
met rugklachten doorverwijst; op basis waarvan maakt u dan de differentiatie of
de klacht arthrogeen, myogeen, capsulogeen, osteogeen of andersoortig is? Wij
krijgen alleen verwijzingen waarop "lumbago", "lumbalgie"
of andere klachtomschrijvingen i.p.v. diagnoses staan. Als wetenschap de basis
is van uw beroepsmatige handelen en wij u wijzen op het onderzoek van Hoving,
past u dan uw verwijzingsbeleid aan? Zult u dan de keuze maken om af te wijken
van de NHG standaard m.b.t. aspecifieke lage rugklachten? Buitengewoon interessant
is het onderzoek van Dr. A.P. Verhagen et al. van de afdeling huisartsengeneeskunde
van het Erasmus Medisch Centrum. De kans op min of meer ernstige pathologie
ten gevolge van het gebruik van ontstekingsremmers is 1:1000 en de kans op min
of meer ernstige complicaties a.g.v. een cervicale manipulatie is 1:40.000. We
hebben hier de voor ons minst gunstige cijfers gebruikt. Op basis van de conclusies
van de onderzoeken van Hoving en Verhagen verwachten wij op korte termijn een
aanpassing van de voornoemde NHG standaard. Dat zou wetenschappelijk gezien in
ieder geval de juiste keuze zijn. Wat wij hiermee aan willen geven is dat
de verwijten die u maakt ook voor uzelf gelden. Uw manier van kritiek geven is
niet onderbouwd, gemakkelijk, goedkoop, maar begrijpelijk. Als je als therapeut
of arts een patiënt niet kunt helpen kunnen daar de volgende oorzaken voor
zijn: 1. de therapie is fout, 2. de diagnose is fout, 3. de kennis
van de therapeut of arts schiet tekort, 4. de patiënt wil niet geholpen
worden of, 5. combinaties van bovenstaande mogelijkheden. Gemakshalve
wordt optie 3 vaak "vergeten". Kritiek of afwijzing kan in algemene
zin gezien worden als een vorm van zelfbescherming om niet te hoeven investeren
in iets dat misschien geen rendement oplevert. Beseft u wel dat hooguit 20%
van uw eigen werkzaamheden wetenschappelijk onderbouwd zijn? Het overgrote deel
van uw werk berust op empirie! Dat geldt in algemene zin voor de medische wetenschap.
Daar heeft die wetenschap overigens wel enkele honderden jaren voor nodig gehad!
Het is niet zo moeilijk om kritiek te leveren; het is niet onze insteek. Wij zijn
op zoek naar het beste in onszelf en niet naar het slechte in de ander. Als de
mogelijkheid bestaat dat een ander iets beters heeft, willen we dat, als dat kan,
graag onderdeel maken van onszelf. Dat stelt ons in staat om te evolueren.
Empirie waarmee op een juiste wijze wordt omgegaan kan evolueren tot wetenschap.
Die wetenschap stelt de mens dan weer in staat om nog meer empirische gegevens
wetenschappelijk te analyseren en toegankelijk maken. U stelt dat u hebt
geïnformeerd in het Wilhelmina Kinderziekenhuis en dat men daar onbekend
was met het fenomeen KISS. Als de problematiek van KISS al ongeveer 50 jaar bekend
is bij Duitse (kinder)artsen; vindt u het dan niet vreemd dat daarover in Nederland
zogenaamd niets bekend is? Zegt dat niet méér over Nederlandse kinderartsen
dan over het KISS verhaal? Nog vreemder wordt het als u het in de volgende
context bekijkt. In datzelfde ziekenhuis is Dr. Raoul Engelbert werkzaam. Hij
is een vooraanstaande kinderfysiotherapeut en is al sinds 1995 bekend met het
fenomeen KISS. Mede van zijn hand verscheen de rapportage van de projectgroep
"de asymmetrische zuigeling met name gericht op het KISS syndroom".
Wij hebben dit als bijlage bijgevoegd. Het gegeven dat Engelbert medeauteur
is van voornoemde rapportage impliceert tevens dat in de wereld van de kinderfysiotherapie
KISS een geaccepteerd gegeven is. Hippocrates, de vader van de geneeskunst
beschreef al de waarde van het goed functioneren van de werverkolom. Een citaat
uit één van zijn werken: "het is noodzakelijk een grondige
kennis te bezitten van de wervelkolom, want vele aandoeningen worden in werkelijkheid
veroorzaakt door een gebrekkigheid daarvan". Wij verkondigen niets nieuws.
Manuele therapie is een relatief jonge tak aan de paramedische boom (NB: de mensen
die als grondlegger kunnen worden gezien zijn de Amerikanen Dr. Andrew Taylor
Still en Dr. D.D. Palmer - inderdaad; beiden arts) en heeft in de tijd die zij
bestaat een snellere ontwikkeling doorgemaakt dan de geneeskunde. Je kunt globaal
zeggen dat zo rond 1900 alles begon en dat de laatste 30-40 jaar de verwetenschappelijking
is begonnen. Vertegenwoordigers van de geneeskunde verwijten de manuele therapie
in feite dat die verwetenschappelijking niet snel genoeg gaat en dat is zeker
in historisch perspectief onbegrijpelijk. De manueeltherapeut wordt vaak
als laatste strohalm gezien. In de gevoelsbeleving hoort het krijgen van een kind
een zegen te zijn. Als dat dan niet zo is, valt dat heel erg tegen. Het is niet
alleen storend voor het kind, maar meestal voor het hele gezin. De stap naar de
manueeltherapeut wordt messtal gemaakt uit ontevredenheid over de resultaten in
het medische en paramedische traject vooraf. Het is heel jammer dat de geneeskunde
deze therapeutische mogelijkheid vaak negeert. Haar imago wordt daardoor ernstig
geschaad. Immers; ouders die met hun kind al een heel lange weg hebben afgelegd,
daarbij vaak stuitend op onbegrip, kunnen vaak in korte tijd geholpen worden met
veel resultaat. Als daarna door de geneeskunde het resultaat ook nog gebagatelliseerd
of zelfs ontkend wordt daalt het respect van de ouder verder. Dat is wat wij merken.
Waarom wordt door vertegenwoordigers van geneeskunde en kinderfysiotherapie de
manuele therapie als zo bedreigend ervaren? Immers; als het belang van de patiënt
(lees hier gerust "gezin") zou prevaleren, dan zou in ieder geval de
discussie een "informerend" karakter moeten hebben en niet "confronterend"
zoals nu zo vaak het geval is. Naar de redenen hiervan kunnen wij slechts gissen,
temeer daar die ook nooit zijn uitgesproken. Tot nu heeft in Nederland niemand
een inhoudelijke discussie met ons aan durven gaan. Als er genoeg inhoudelijke
tegenargumenten zijn, moet dat toch geen probleem opleveren? Het liefst
zouden wij longitudinaal cohort onderzoek doen. Als controle groep zouden we dan
kunnen zoeken naar onbehandelde KISS voorbeelden. Het zal echter heel moeilijk
worden om de data en de groep te homogeniseren zodat e.e.a. statistisch valide
wordt voor opname in een RCT. Indien u goede suggesties heeft houden wij ons zeker
aanbevolen. Het doen van goed wetenschappelijk onderzoek bij deze categorie
patiënten wordt bemoeilijkt Wat een onderzoek moeilijker 1. De patiëntengroep
leent zich daar moeilijk voor. Communicatie met de patiënt zelf is nagenoeg
niet mogelijk. 2. Het hanteren van een controlegroep is onethisch omdat het
resulteert in blijvende ontwikkelings-problematiek. Ouders zullen niet het risico
willen lopen dat hun kind (waarmee ze vaak al een heel medisch traject hebben
afgelegd) als proefkonijn wordt gebruikt. 3. Het kind bevindt zich in een
cruciale fase van de ontwikkeling. Veranderingen gaan heel snel en dat impliceert
dat er extra variabelen ontstaan. Beoordeling wordt daardoor moeilijker. 4.
Deze materie is voor de farmaceutische industrie en / of kapitaalkrachtige lobbies
totaal niet interessant. Onderzoek zal zeer waarschijnlijk in hun nadeel zijn. U
geeft aan dat er geen wetenschappelijke artikelen zijn m.b.t. KISS en daaraan
gerelateerde problematiek. Wie weet waar hij moet zoeken kan in o.a. PubMed wel
degelijk KISS gerelateerde publicaties aantreffen. Een heel interessante publicatie
is een artikel van Lutz Koch et al met als titel "High cervical stress and
apnoea". . Onlangs werd gepubliceerd (november 2003) dat Nederland het hoogste
sterftecijfer in Europa bij baby's kent. Wellicht is er een relatie tussen de
geconstateerde apnoeas en de altijd nog niet verklaarde wiegendood. In ieder geval
blijkt de grote invloed van suboccipitale strain op de vegetatieve reacties in
de cervicale regio. Op de diverse congressen worden ook meer dan interessante
onderwerpen voor het voetlicht gebracht. Wellicht kunnen bij uw verdere zoektocht
de volgende databases van waarde zijn: · www.PubMed.nl, ·
www.edusite.nl en · www.ncbi.nih.gov. Wetenschappelijk onderzoek
hoeft echter helemaal geen maatstaf te zijn voor kwaliteit. Het zou goed zijn
dat af en toe eens te relativeren. Dat doet een artikel in de Telegraaf van 8
mei 1999 (T23) getiteld "De zin en onzin van wetenschap". Hierin lezen
wij over de tegenstrijdige uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek naar de invloed
van chocolade op het hart, de effecten van alcohol (met name wijn en bier) op
de gezondheid en zelfs naar de effecten van trouwen. In 1998 verklaarden Britse
onderzoekers nog dat meeroken niet schadelijk was! Andere sprekende en tegelijkertijd
schrijnende voorbeelden zijn de Softenon en DES debacles. Een zorg van een
heel andere orde is het gegeven dat wetenschappelijke opleiding en onderzoek steeds
vaker gefinancierd wordt door het bedrijfsleven. Recent werd nog de bemoeienis
van Organon gehekeld bij een onderzoek naar de bijwerkingen van de derde-generatie-pil. Onbegrijpelijk
is het feit dat de MT voor de voeten wordt geworpen dat er geen sprake zou zijn
van evidence based handelen. Dit begrip wordt in onze ogen overgewaardeerd omdat
het wordt verheven tot een doel op zich, terwijl het een resultaat zou moeten
zijn van een heel ontwikkelingstraject. Bovendien wordt het vaak als politiek
argument gebruikt om zo eigen aanzien en status (langer) te kunnen handhaven.
Uw eigen handelen is grotendeels practice based. Waar valt u ons op aan? Ook
de huidige medische wetenschap heeft een traject van enkele honderden jaren onderzoek
moeten doorlopen en is nog slechts voor het kleinere deel evidence based. De kinderfysiotherapie
zelf staat in nog kleinere kinderschoenen dan de manuele therapie. Laat de manuele
therapie bij KISS op dit moment dan nog grotendeels opinion based zijn; het feit
dat de maatschappelijke ontwikkelingen sneller gaan dan de wetenschappelijke zegt
veel over de impact en potentie van deze therapievorm. We zijn echter wel
degelijk op een wetenschappelijke wijze bezig (zie het organigram), maar hebben
het eindstadium nog niet bereikt, omdat we ons bevinden in het gebied tussen "resultaten"
en "conclusie". Voorwaar een heel eind. Dat is ook niet zo verwonderlijk,
want in de 50 jaren na Gutmann's eerste publicaties heeft de ontwikkeling verre
van stilgestaan.  |
Afbeelding 2 Dat er op dit moment (nog) onvoldoende wetenschappelijke
onderbouwing is mag hier geen argument zijn. Heeft niet iedere andere wetenschap
hetzelfde traject doorlopen? Een standaard wetenschappelijke benadering is bij
deze problematiek nagenoeg onmogelijk. Een aantal argumenten hiervoor hebben we
al aangegeven. De combinatie van stoornis en patiënt leent zich hiervoor
bijzonder slecht. Het betreft hier een relatief jonge therapievorm welke volop
evolueert en die een stormachtige ontwikkeling doormaakt. De reden hiervoor laat
zich raden. Klinisch bewijs wordt door sceptici gemakshalve altijd genegeerd,
maar in dit perspectief kunnen wij gelukkig melden dat in Duitsland onderzoek
gaande is en in de VS (Chicago) werkt Prof. Dr. Jan-Marino Ramirez samen met Dr.
Henner Koch van de EWMM (European Workgroup for Manual Medicine). In Duitsland
vinden die KISS gerelateerde onderzoeken plaats door Biedermann, Koch en Korbmacher
in de Kinderklinik te Wuppertal, de Universitätsklinik te Kiel, de Universitätsklinik
Hamburg-Eppendorf en in de Kinderklinik te Keulen. Biedermann verwacht in mei
2005 hierover resultaten te kunnen publiceren. Verder is er een enorme hoeveelheid
literatuur aangaande de KISS problematiek voorhanden. Een gedeeltelijk overzicht
hiervan vindt u op www.ewmm.net. Vermeldenswaard is het feit dat voornoemde
professor Ramirez in zijn publicaties aangeeft dat de molecuulstructuur van Ritalin®
een grote gelijkenis vertoont met die van cocaïne. Het is te danken aan de
tragere resorptietijd dat er geen verslavingsverschijnselen optreden! In
Nederland biedt de EWMM voor manueeltherapeuten o.a. cursussen aan voor het onderzoeken
en behandelen van het KISS syndroom en KIDD. De EWMM Nederland maakt deel
uit van een internationale werkgroep waarin verder artsen uit Duitsland en Zwitserland
zitting hebben en samenwerken. De EWMM is door het KNGF en in het buitenland door
reguliere artsenorganisaties als officiële cursusprovider erkend. De cursussen
die zij geeft zijn derhalve ook geaccrediteerd. Voor informatie en literatuur
verwijzen wij wederom naar www.ewmm.net. Inmiddels heeft de EWMM, die door
Henk Mohr in 1999 in Nederland werd opgericht, al ruim 300 manueeltherapeuten
opgeleid tot KISS therapeut. In Nederland heeft een aantal ouders heeft
het initiatief genomen tot oprichting van de Stichting KISS- en KIDD-syndroom
(www.kisskids.tk). Enkele doelstellingen van deze stichting zijn: ·
bekendheid geven aan de mogelijkheden van de MT bij KISS en KIDD aan ouders, artsen
en onderwijsinstellingen en · het organiseren van voorlichtingsavonden.
Via de site www.kiss-kinderen.nl is nadere informatie over deze stichting in te
winnen. Nederland loopt als het gaat om de ontwikkeling van het KISS concept
5-8 jaar achter op Duitsland. Dat is niet verwonderlijk, omdat de ontwikkeling
per slot van rekening in Duitsland is begonnen. Men begint KISS "waar
te nemen", maar medici en andere therapeuten kunnen zich er nauwelijks iets
bij voorstellen. Bovendien past het niet binnen de kaders van hun beroepsinhoudelijke
denken. Maar; als zoiets als KISS al zo'n lange weg heeft gegaan, dan zouden
de critici zich op z'n minst geprikkeld moeten voelen om op "onderzoek uit
te gaan" i.p.v. het alleen maar leveren van ongefundeerde kritiek. De
filosoof Arthur Schopenhauer (1788-1860) geeft ons hier een steun in de rug:
· 1e fase - men maakt iets belachelijk, · 2e fase - het wordt
bestreden, · 3e fase - het wordt als volledig normaal erkend. Vanuit
deze filosofische invalshoek bezien bevinden wij ons in Nederland tussen de 2e
en 3e fase. Een indicatie daarvoor is o.a. het volgende. Op 25 augustus jl. organiseerde
het bureau PAOG Heijendaal een bijeenkomst in het kader van de avondcyclus jeugd
gezondheidszorg 2003. Onderwerp van deze avond was: "Modegrillen en kinderziekten
- zin en onzin - KISS-syndroom en ADHD". Kinderarts Draaisma uit Nijmegen
(AMN) was in onze optiek de meest interessante spreker. Hij bracht hier het onderwerp
KISS-syndroom op een serieuze manier ter sprake. De eindconclusie van deze avond
was: het KISS-syndroom is geen modeverschijnsel! Ook de medische wereld in Nederland
neemt nu in toenemende mate kennis van het gedachtegoed van Heiner Biedermann.
Voor ons zijn het gedachtegoed van Schopenhauer, de prachtige resultaten die wij
behalen en de waardering van de ouders / verzorgers van de kinderen die wij behandelen
een constante stimulans om door te gaan op de ingeslagen weg. Het argument
dat men geen wetenschappelijke literatuur heeft kunnen vinden, houdt concreet
in dat men eerst moet wachten totdat iemand anders de pionier heeft gespeeld.
Op die manier wordt het wel heel erg moeilijk om vooruitgang te boeken. Dergelijke
argumenten kunnen dus alleen maar gebruikt worden door niet-wetenschappers! Conclusie De
voordelen van manuele therapie bij het KISS-syndroom zijn: 1. het werkt snel,
2. is effectief, 3. het is risicoloos, 4. het is causaal en niet symptomatisch,
5. het is kosteneffectiever dan andere therapievormen, 6. het resultaat is
objectiveerbaar (röntgenologisch en middels motorische testen), 7. het
tast de integriteit van het lichaam niet aan, 8. er worden geen lichaamsvreemde
stoffen (Ritalin!) toegediend en 9. het gebruik van orthesen kan achterwege
blijven (redressiehelm). Nawoord Wij
willen u verder de volgende handreikingen doen: 1. wij nodigen u uit voor
een persoonlijk onderhoud. Hierbij kunnen we uitgebreid over de onderwerpen KISS
en KIDD van gedachten wisselen. 2. U bent van harte welkom (kosteloos) op
één van onze cursussen KISS & MT. U kunt dan zelf ervaren op
welk niveau de manuele therapie m.b.t. de KISS problematiek functioneert. Uw mening
c.q. visie kan dan een verdieping aan de discussie geven, hetgeen de beeldvorming
ten goede komt. Voor cursusdata verwijzen wij naar onze site (www.ewmm.net).
3. Op verzoek kunnen wij u in contact brengen met Dr. Med. Heiner Biedermann,
zodat u op het niveau van geneeskundigen met elkaar van gedachten kunt wisselen.
Op 14 en 15 mei 2004 is er een EWMM bijeenkomst in Antwerpen. Hier kunt u kennis
maken met een internationaal gezelschap van artsen, waaronder kinderartsen.
Het feit dat wij als manueeltherapeuten toegelaten worden tot een gezelschap van
louter artsen mag u beschouwen als een waardering voor het niveau waarop de manuele
therapie in Nederland functioneert! 4. Verder nodigen wij u uit om voorstellen
te doen voor de opzet van een gedegen wetenschappelijk onderzoek. In Utrecht moeten
daarvoor legio mogelijkheden voorhanden zijn. Mocht KISS zoals u zegt een pseudo-syndroom
zijn, dan moet het niet zo moeilijk zijn om dat aan te kunnen tonen. Wij zijn
echter overtuigd van het feit dat de uitkomst van het onderzoek een heel andere
richting op zal gaan. 5. Als laatste willen wij u attent maken op het congres
dat op 12 en 13 maart 2004 gehouden zal worden in Dresden (zie bijlage). Het zou
fijn zijn u daar te ontmoeten. Als u de inhoud van het programma leest kunt u
niet anders dan tot de conclusie komen dan men in Nederland al veel heeft gemist. Wij
vragen u niet om alles klakkeloos van ons aan te nemen. Wat wij vragen is om het
KISS concept een kans te geven, waarbij vooral in het begin ervaringen op basis
van casuïstiek het meest belangrijk zullen zijn. De andere variant is
dat men zich blijft opsluiten in de ivoren toren van het eigen vakgebied. Met
oogkleppen op wordt dan alleen de weg bewandeld die eens uitgestippeld is op basis
van hetgeen men in het verleden ooit geleerd heeft. Blijft echter een laatste
vraag over. Waar zou de criticus van nu zijn als hij in het verleden net zo kritisch
was geweest als in het heden? Wij hopen hiermee uw vragen beantwoord te
hebben en dat op z'n minst uw nieuwsgierigheid is gewekt. Dat dit het begin moge
zijn van een vruchtbare discussie gebaseerd op wederzijds respect. We hopen ook
dat u ziet dat wij geen doorsnee fysiotherapeuten zijn die op een populaire manier
en ten koste van anderen een stokpaardje willen berijden. Wij zijn meer dan serieus
met ons vak bezig en hebben een duidelijk doel voor ogen. Albert Einstein
gaf ons o.a. de volgende filosofische houvast: · zoek eenvoud in de
chaos (het probleem is vaak heel simpel) · zoek harmonie in de wanklank
(zorg voor normalisering van de situatie) · te midden van de problemen
liggen de beste kansen. Met vriendelijke groet, EWMM Nederland,
Eric Saedt en Bé van der Woude Namens deze, Bé
van der Woude Literatuurlijst Bijlagen:
1. Rapportage van de projectgroep "de asymmetrische zuigeling" met name
gericht op het KISS Halfmann Uitnodiging Dresden. Nog suggesties? |